Recensie Dick Swaab: Wij zijn ons brein

swaab1Eind oktober verscheen mijn recensie van ‘Wij zijn ons brein’ van Dick Swaab in het (laatste) Katern van het Nederlands Dagblad. Het staat volgens mij niet online (het ND, inclusief de site, is vorige week gerestyled en over drie weken is de site alleen nog tegen betaling te zien), dus zet ik het stuk ook even hier neer.

Dick Swaab: Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot Alzheimer. Uitg Contact, 2010, 480 blz, €24,95

Door René Fransen

Hoe dun kan een dik boek zijn? En hoe merkwaardig simplistisch kan een gelauwerde geleerde redeneren? Dat zijn de vragen die oprijzen na lezing van het boek ‘Wij zijn ons brein’ van de vermaarde Nederlandse hersenonderzoeker Dick Swaab. Met zijn meer dan veertig dienstjaren heeft Swaab, die vorig jaar afscheid nam als hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam, heel wat wetenschappelijke doorbraken op zijn rekening staan.

Niet de minste was het opzetten van de Nederlandse Hersenbank. Om meer te begrijpen van ziekten als Alzheimer, is het nodig voldoende hersenmateriaal te hebben van patiënten en gezonde ouderen. In de vroege fase van zijn carrière merkte Swaab hoe lastig dat was, dus begon hij de ‘Hersenbank’, waaraan mensen hun brein – of stukjes daarvan – kunnen doneren na hun overlijden. Het resultaat is een unieke en voor de wetenschap zeer kostbare verzameling.
Swaab heeft ook baanbrekend onderzoek verricht op het terrein van seksuele geaardheid. Hij toonde verschillen aan tussen mannelijke en vrouwelijke hersenen, maar liet ook zien dat homoseksualiteit in de hersenen is vastgelegd. Het leverde hem niet altijd even positieve reacties op – zelfs de homobeweging was er in eerste instantie niet blij mee, omdat hun geaardheid zou kunnen worden afgedaan als een ‘hersenaandoening’.

Het eigen onderzoek is een rode draad in het boek van Swaab, dat is onderverdeeld in zeer korte (sub)hoofdstukjes van een bladzijde of drie maximaal. Een gevolg, vermoedelijk, van het feit dat het boek mede is gebaseerd op columns die eerder in de NRC verschenen. Zulke hapklare brokken lezen prettig weg. Maar het is storend dat in veel van die stukjes dezelfde feiten keer op keer terugkomen. Dat je door ondervoeding van je moeder in de baarmoeder al een gestoorde hersenontwikkeling kunt krijgen, staat zes keer in het boek, steeds met dezelfde verwijzing naar onderzoek gedaan bij kinderen die kort na de Hongerwinter zijn geboren. Dat de foetus zelf meehelpt om de geboorte op gang te brengen, staat aan het begin en (in verkorte vorm) aan het einde van het boek uitgelegd.
 
De vele doublures beginnen al snel te irriteren. En dat is jammer, want Swaab heeft echt wel iets te vertellen. Hij schrijft wat ouderwets, een echte professor op zijn praatstoel. Babbelig, soms met wat zijpaadjes die strikt genomen overbodig zijn, soms wat veel vaktermen, maar zonder opsmuk, recht voor z’n raap. Swaab is in het algemeen nogal stellig. Ook daarin herken je de éminence grise die het allemaal heeft zien gebeuren en er het zijne van vindt. Maar hij doet dat vaak zeer boeiend, bijvoorbeeld in de beschrijving van de manier waarop het ongeboren kind zelf de bevalling stuurt, door het produceren van verschillende hormonen. De zware bevalling die vroeger werd gezien als oorzaak van aandoeningen als schizofrenie, blijken juist vroege symptomen te zijn van een hersenziekte bij het kind.
Een ongeboren kind kan ook al geluiden en smaken leren herkennen. Niet alleen de stem van de moeder, ook de herkenningstune van de soapserie waar zij tijdens de zwangerschap naar keek, blijkt in het geheugen van een pasgeboren baby te zitten. Maar verhalen als van de schilder Salvador Talie, die meende beelden van in de baarmoeder te hebben onthouden, verwijst Swaab naar het rijk der fabelen. Dat doet hij met meer hersenmythes, bijvoorbeeld het hardnekkige gerucht dat wij maar tien procent van ons brein gebruiken. Ook gaat hij uitgebreid in op verschillende vormen van coma en bijvoorbeeld het ‘locked-in syndroom’, waarbij een patiënt geen enkel contact meer heeft met het eigen lichaam, meestal door een hoge beschadiging van het ruggenmerg.

Zolang het over dit soort zaken gaat, de functie van hersengebiedjes en de beschrijving van allerhande patiënten, is Swaab boeiend en overtuigend. Maar wanneer Swaab grotere verbanden probeert te schetsen, is hij niet echt overtuigend. ‘Wij zijn ons brein’, is de titel van het boek. Swaab licht het toe: het brein stuurt ons gedrag. Vrije wil is niets meer dan een achteraf – door hetzelfde brein – geproduceerde illusie. Het bewustzijn hobbelt achter de feiten aan. De meeste eigenschappen – seksuele geaardheid, karakter, intelligentie – liggen bij de geboorte al vast. Daar valt niets meer aan te doen, aldus Swaab. Over de vrije wil zijn boekenkasten, misschien wel bibliotheken volgeschreven. En Swaab voegt er eigenlijk niets aan toe, hij citeert wat bekende werken en trekt conclusies zonder die echt stevig te onderbouwen. Het hoofdstuk over vrije wil is een onsamenhangende serie uitspraken en voorbeelden. Het betoog is voor zo’n eminent wetenschapper bedroevend dun.
Ook in het hoofdstuk over seksuele blijft Swaab oppervlakkig. Homo’s die proberen van geaardheid te veranderen worden steevast ongelukkig, zegt hij keer op keer. Maar al is er niets te doen aan seksuele geaardheid, pedofielen moeten dat natuurlijk wel doen. Swaab verwijst naar Canada, waar een uit vrijwilligers samengesteld netwerk pedofielen na vrijlating begeleid, wat de recidive doet afnemen. Maar hoe verhoudt zich dit met de onvrije keuze van seksuele voorkeur? Waarom is het schandelijk dat er pogingen worden gedaan om homoseksualiteit te genezen, maar mag je dat pedoseksuelen wel aan doen? Daar valt natuurlijk heel wat over te zeggen, maar Swaab doet het niet. Hier is zijn betoog weer te dun. Er is geen grijs, alleen zwart en wit. Dat kan aan de borreltafel, maar niet in een boek met heel wat meer pretentie.

Steeds wanneer Swaab zich buiten zijn directe vakgebied waagt, valt hij door de mand. Het thema ‘religie’ is ook een goed voorbeeld. Hij bestrijdt religie door te zeggen dat moraal gewoon via evolutie kan zijn ontstaan. Maar daarbij neemt hij als ‘opponent’ slechts een hoofdstuk uit ‘Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp’ het eerste boek dat Cees Dekker (in 2005) over Intelligent Ontwerp uitbracht. De veel uitgebreidere literatuur over religie, evolutie en moraal negeert hij.
Verder komt Swaab eigenlijk alleen met oude, veelgebruikte (en ook vaak weerlegde) argumenten tegen religie, waarbij hij vooral uit het boek  ‘God als misvatting’ van Richard Dawkins lijkt te putten. Hij noteert een lange lijst met negatieve gevolgen van religiositeit, zoals religieus geïnspireerd terrorisme, mensenoffers in de oudheid, weigering tot vaccineren of bloedtransfusie en eerwraak. Maar hij ‘vergeet’ dat ook niet-religieuze overtuigingen voor zeer veel ellende kunnen zorgen. Elders noemt hij wel de negatieve gevolgen van de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ in China (een land waar hij milde sympathie voor uit als het gaat om het uitbannen van onwetenschappelijk bijgeloof), maar dat benoemt hij niet als een kwalijk gevolg van atheïsme. En een opsomming van de positieve gevolgen van religie, daartoe voelt hij zich ook niet geroepen.
Hij gaat ook met Dawkins mee in diens afkeer van ‘geloofsopvoeding’. Je moet kinderen niet leren wát te denken, maar hóe ze moeten denken. Dat die twee in het algemeen niet te scheiden zijn, wil er bij hem niet in. Net zomin als het feit dat een ‘godsdienstvrije opvoeding’ uiteindelijk ook een levensbeschouwelijke keuze is. Aardig detail: de ruimdenkende Swaab verbiedt studenten tijdens een practicum zichzelf te testen op een gen dat een verhoogd risico op Alzheimer kan voorspellen. “Dat leidt maar tot ongerustheid.”

In het laatste deel gaat Swaab in op zijn deelname aan het burgerinitiatief ‘Uit vrij wil’, dat een actie is begonnen om het zelfgekozen levenseinde mogelijk te maken. Een onderwerp dat duidelijk zijn hart heeft. In 2002, zo schrijft hij, heeft hij in de Gezondheidsraad (een adviesorgaan van de regering) al bepleit om een ‘uitburgeringscursus’ verplicht te stellen. Hierin zouden burgers bewust moeten nadenken over hun (zelfgekozen) levenseinde. Het voorstel heeft het niet gehaald. Je vraagt je ook af waarom iemand die zo voor keuzevrijheid is, een dergelijke ‘cursus’ verplicht zou willen stellen.
Swaab negeert in zijn enthousiasme over het zelfgekozen levenseinde alle – veelvuldige besproken – haken en ogen die hier aan zitten. Hoe vrijwillig is een keuze wanneer bijvoorbeeld sociale steun ontbreekt, of wanneer je het gevoel hebt je naasten tot last te zijn? Opnieuw: een flinterdun betoog. Met als merkwaardigste opmerking een zinnetje op de voorlaatste pagina van het boek. Nadat hij heeft vermeld dat het burgerinitiatief de naam ‘Uit vrije wil’ had gekregen schrijft hij: “Om geen problemen op een onjuist moment te veroorzaken, heb ik mijn mening dat de vrije wil een illusie is in die groep pas ingebracht op het moment dat de 40.000 handtekeningen die nodig waren om dit onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer te krijgen, binnen waren.” Jammer, dat hij niet de intellectuele moed lijkt te hebben om zijn concept over vrije wil hier verder uit te werken.

Wanneer Swaab schrijft over hersengebiedjes of patiënten is hij boeiend en informatief. Maar zodra het gaat over grotere concepten als filosofie, religie of ethiek zakt hij genadeloos door het ijs. Een teleurstellende constatering over iemand, die toch een grote staat van dienst heeft. Van de 464 pagina’s tekst blijft, na schrappen van doublures en borrelpraat, te weinig over.

Please follow and like:

60 gedachten over “Recensie Dick Swaab: Wij zijn ons brein”

  1. Nog even iets over de analogie van de hardware en de software bij een computer. De software is inderdaad een activiteit van de hardware (zonder hardware ook geen software). Nu kunnen we dat vergelijken met onze neuronen (hersenen) die een bepaalde activiteit vertonen. Echter, wie/wat neemt de activiteit in de neuronen waar? En wie/wat bestuurd de activiteit in de neuronen? Is dat willekeur of zit daar meer achter? Als we teruggaan naar de analogie van de software en de hardware kunnen we zeggen dat wij de software programmeren en/of besturen, wij zorgen voor de activiteit. De vraag is of hardware en de bijbehorende software een bewustzijn krijgen wanneer je deze steeds complexer maakt. Gaat een systeem dan opeens zichzelf besturen? Of is daar altijd een bestuurder voor nodig? Het is van tweeen één, of wij zijn onderworpen aan de natuur (d.m.v. fysiologische processen in het brein) of er is ruimte voor een vrije wil (dan moet er meer zijn dan materie). In het eerste geval bestaat er niet meer zoiets als verantwoordelijkheid, immers we zijn onderworpen aan natuurwetten.

    Overigens is het ook zo dat er nog veel onderzocht moet worden aan het brein, we weten nog lang niet alles. Is het dan niet gevaarlijk om zulke stellige conclusies/uitspraken te doen zoals Prof. Swaab doet? Er wordt nog over gedebatteerd. Daarnaast kun je je afvragen of het heilzaam is voor de samenleving als iedereen de overtuiging heeft dat hij/zij geen vrije wil heeft. Ik denk dat het mensen passief maakt.

    Daarnaast, als de mens geen vrije wil heeft. Hoe kan Prof. Swaab dan spreken over een ‘vrijwillig’ levenseinde? Klinkt in ieder geval tegenstrijdig uit zijn mond. Als mensen bijvoorbeeld last hebben van een depressie zou ik niet graag ‘de wil van het brein’ volgen. Het brein is in dat geval ziek. Na genezing is het vaak weer heel plezierig verder leven.

    Zomaar wat gedachten.
    Vriendelijke groet,
    Michel

  2. @Michel
    “Daarnaast kun je je afvragen of het heilzaam is voor de samenleving als iedereen de overtuiging heeft dat hij/zij geen vrije wil heeft. Ik denk dat het mensen passief maakt.”
    Plus berustend in eigen wetteloos gedrag. Bijvoorbeeld: “Zo ben ik, zo werkt mijn brein nu eenmaal, ik kan er niets aan doen, het voltrekt zich in mij, de geleerden zeggen het zelf”. Natuurlijk niet de bedoeling van Swaab, maar best een gevaarlijk mogelijk gevolg van zijn uitspraken.

  3. @ Jaap

    Ik zie niet in waarom we ons zouden moeten beperken tot wat we zelf kunnen zien van ons zelf. Juist met hulp van buitenaf kunnen mensen zichzelf soms beter leren begrijpen (denk bijvoorbeeld aan psychologische hulp, of de diagnose ADHD). Wil dat zeggen dat je ooit een mens helemaal wetenschappelijk kunt doorgronden? Ik denk het niet; daar is ons brein veel te complex voor. Ik denk dan ook niet dat Swaab dat zou beweren. Wel kunnen we een hoop inzicht krijgen, en daar geeft Swaab een bloemlezing van. Het pleit echter geenszins voor dualisme.

    Ik vind da analogie van nier en urine niet sterk. Dit veronderstelt inderdaad een onafhankelijk, die er niet is. Swaab is helaas op filosofisch gebied niet erg scherpzinnig. Een betere analogie zou m.i. zijn spijsvertering-spijsverteringstelsel. Spijsvertering is wat al de spijsverteringsorganen samen doen, niets meer dan dat. Het kan er ook niet los van bestaan. De geest – als je die term als monist al wilt gebruiken – is wat het brein doet. De termen ‘geest’ en ‘ziel’ kun je overigens prima metaforisch gebruiken, net als dat we nog steeds zeggen dat de zon opkomt en ondergaat.

    In het brein is er geen “overkoepelend geheel” geen ‘baas’. Het brein werkt met zeer complexe neurale netwerken die op hun beurt weer complexe interacties met elkaar hebben.

    Zou God ons na de dood weer op kunnen bouwen? Dat kan de Almachtige vast. Als hij al de atomen in mijn lichaam in dezelfde configuratie weer in elkaar zou zetten, leef ik weer. Het probleem is hiermee echter niet opgelost, want God pleegt nog steeds te bestaan als Geest zonder brein, dualisme pur sang dus.

  4. @ Leon

    Dan draai je in een cirkeltje: spiritueel betekent “tot de geest behorend”, en die geest of ziel, wilde je nu juist definiëren. Spiritus, waar ons woord ‘spiritueel’ vandaan komt, is overigens het Latijnse equivalent van het Griekse pneuma en het Hebreeuwse roeach. Hier schieten we dus niets mee op.

  5. @ Michel

    Netwerken van neuronen nemen toestanden waar van toestanden van andere netwerken van neuronen. En reageren daarop Er is geen centrale baas die dit alles waarneemt en aanstuurt. Mijn computer kan ook zijn eigen toestanden waarnemen en daarop reageren (bij een te volle harde schijf gaan opruimen, bijvoorbeeld). Dit is natuurlijk het resultaat van programmeerwerk, maar daarom werken hersenen ook fundamenteel anders dan (de huidige) computers.

  6. @Bart

    Het ging hier niet over de geest of ziel maar de over ziel, spiritueel kan, volgens Van Dale, ook betekenen « het niet-stoffelijke betreffend », en zoals je zelf in je artikel aangaf zijn er overlappingen tussen de ziel en de geest.

    Ik zou zelf de ziel definiëren als « het onstoffelijke gedeelte van een mens vanwaaruit hij een persoonlijk relatie met God heeft ».

  7. @ Leon

    Wat is je evidentie dat de mens überhaupt uit iets onstoffelijks bestaat? Het begrip ‘persoonlijke relatie’ is hier ook problematisch, want de normale manier waarop wij dit begrip gebruiken heeft alles met stoffelijke zaken te maken (horen, zien, voelen enz.). Je zult dus moeten uitleggen wat dit begrip voor betekenis heeft zonder daarbij te verwijzen naar stoffelijke zaken.

  8. @Bart
    “Er is geen centrale baas die dit alles waarneemt en aanstuurt.”
    Heb je wel eens een vertraagde opname gezien van een atleet, die de honderd meter binnen 10 seconden wil lopen? De verbeten vastberadenheid op het gezicht, de samengebalde wil om zijn doel te bereiken; alle jaren van training, opoffering en afzien moeten er in een krachtsexplosie van minder dan 10 seconden uitkomen; is hij op dat moment niet zelf met zijn wil de baas en aanstuurder van alle lichaamsfuncties van dat moment; ook al is hij er zich helemaal niet van bewust hoe dat werkt?

  9. @Bart:

    « Cambridge Online » : soul = the spiritual part of a person which some people believe continues to exist in some form after their body has died

    « Le Petit Robert »: âme = principe spirituel de l’homme, conçu comme séparable de Dieu …

    « Zingarelli » : anima = parte spirituale et immortale dell’uomo

  10. @ Jaap

    Ik weet als bewegingswetenschapper maar al te goed wat er in het lichaam gebeurt bij een 100 meter sprint. Dit wordt vrijwel geheel onbewust aangestuurd door bepaalde delen van het zenuwstelsel (vooral de sympathicus). Ook het aansturen van spieren gaat via programma’s die in de hersenen zijn geslepen door vele trainingen. Wat we hier met ‘drive’ bedoelen is de dominantie van bepaalde delen en onderdrukking van andere (zoals pijnprikkels). Hierin verschillen sporters, maar ook externe factoren (zoals aanmoediging) spelen en belangrijke rol.

    @ Leon

    Ik zie niet in wat je met dergelijke definities opschiet, want het blijft onduidelijk wat dat “spirituele deel van een persoon” is (persoonlijkheid? emotie? keuzes maken? bewustzijn? liefhebben? geheugen?)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.