De kaderopvatting

De kaderopvatting; een orthodox-exegetische bezinning op Gen.1-2

Dit artikel, geschreven door Pieter Gorissen, is een bewerking van een publicatie in Ellips. Gorissen beschrijft de achtergronden van de kaderopvatting, die in de 20e eeuw door diverse orthodoxe theologen is uitgewerkt.

Op 20 juni 2008 behandelde de Generale Synode van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt een bezwaarschrift tegen de door prof.dr. J. Douma verdedigde kaderopvatting in ‘Genesis’ (2004). Deze ‘dwaalleer’ zou volgens de bezwaarmakers de helderheid en het historisch karakter van de Schrift aantasten. De synode oordeelde dat Douma zich binnen de grenzen van de gereformeerde orthodoxie beweegt: “Gereformeerde theologen [hebben] vaker geworsteld met exegetische vragen rond Genesis 1, waarbij zij vasthielden aan het gezag van Gods woord en aan een totstandkomen van de wereld, waarbij God in alles de hand had. De ruimte voor een dergelijke worsteling heeft het college aan prof. Douma niet willen ontzeggen.”

Hoeveel ruimte is er om Gen.1 op te vatten als kadervertelling en tegelijkertijd vast te houden aan een orthodoxe visie op de Schrift? Met welke kritiek heeft Douma geworsteld voordat hij concludeerde dat dit ‘de meest bevredigende opvatting’ voor Gen.1 is? Waarom zijn steeds meer theologen die mening toegedaan . Om antwoord te kunnen geven op deze vragen moeten we eerst nagaan wat de kaderopvatting precies inhoudt. Dit doen we aan de hand van drie van haar voornaamste vertegenwoordigers: A. Noordtzij, Nic.H. Ridderbos en M.G. Kline.

Literaire compositie
Noordtzij wordt door velen gezien als de founding father van de kaderopvatting. Bij hem lezen we dat “het gebruik van dagen en nachten, van avond en morgen door den schrijver welbewust als een kader is ingevoerd” (pag.119). Aanwijzingen voor dit kader vindt hij in het parallellisme tussen dag 1 t/m 3 en 4 t/m 6. We lezen in Gen.1:2 dat de aarde “woest en ledig” is (NBG). Tijdens dag 1 t/m 3 wordt de ‘woestheid’ aangepakt doordat God diverse ‘scheidingen’ aanbrengt (licht/duisternis; water boven/onder uitspansel; land/zee). Op dag 4 t/m 6 rekent God af met de ‘ledigheid’ door de aarde te vullen met ‘bewoners’ (hemellichamen; zeedieren en vogels; dieren en mensen). Noordtzij wijst op het volgende parallellisme tussen beide groepen: dag 1 en 4 (licht / lichtdragers); dag 2 en 5 (hemel en zee/ bewoners van zee en hemel); dag 3 en 6 (aarde en planten / aardbewoners en hun voedsel). Dat de auteur van Genesis oog heeft voor dergelijke literaire verbanden blijkt ook uit de chiastische relatie tussen dag 2 en 5 (hemelgewelf-zee-zee-hemelgewelf) en uit het vaste stramien waarin de dagen beschreven zijn: aankondiging, goddelijke opdracht, uitvoering, goedkeuring, naamgeving, avond-morgen formule en nummering. Het lijkt er sterk op dat de schrijver met zijn literaire compositie alle nadruk op de zevende dag wil laten vallen. Deze dag staat ‘apart’. Hier vindt Gods scheppingsweek haar climax. Zo wordt duidelijk dat de mens zijn doel en bestemming niet in de schepping zelf vindt (of in zijn dagelijkse arbeid daarbinnen), maar uitsluitend in de verheerlijking van zijn Schepper, en wel op de zevende dag.

Chronologie
Noordtzij poneert dat de tijdsindeling binnen Gen.1 een projectie is, “gebezigd niet om ons het scheppingsverhaal in zijn natuur-historisch verloop te teekenen, maar om evenals elders in de H. Schrift ons de heerlijkheid der schepselen te teekenen in het licht van het grote heilsdoel Gods” (pag.119). Hij komt tot deze conclusie door de “op tal van punten afwijkende groepeering van de scheppingsfeiten in Gen.2:4vv.” Met name het verschil in scheppingsvolgorde valt op. Gen.2 verhaalt eerst van de schepping van de mens, daarna van de planten en tenslotte van de dieren. In Gen.1 is deze volgorde planten – dieren – mens. Aangezien pogingen tot harmonisatie erg gekunsteld zijn en het a-priori onwaarschijnlijk is dat twee elkaar tegensprekende scheppingsverhalen vlak na elkaar zouden zijn opgenomen, wordt geconcludeerd dat de auteur blijkbaar een ander doel had dan het doorgeven van chronologie. Een tweede argument om Gen.1 niet als letterlijk scheppingsverslag op te vatten is het antropomorfische (=mensvormige) spreken over de zevende dag. Uit het rusten van God op deze dag mag volgens Ridderbos niet afgeleid worden dat God van het scheppen moe geworden was . Hij concludeert daarom “dat de auteur niet het oog heeft op een werkelijke dag, maar dat het rusten Gods op de zevende dag zeggen wil: het scheppen Gods loopt hierop uit, dat God zich verlustigen kan in hetgeen Hij gemaakt heeft” (pag.40). Kline vult hierop aan dat deze dag niet eindigt met de gebruikelijke ‘avond-morgen’ formule. Er is volgens hem sprake van een ‘eeuwige dag’ met eschatologische betekenis (vgl. Hebr.4:4,9-10). Het derde argument voor een niet-letterlijke lezing van ‘de dagen’ vloeit voort uit de relatie tussen dag 1 en 4. Noordtzij wijst hier op het feit dat reeds voor de schepping van de lichtdragers (dag 4) sprake is van ‘dagen’ in de gewone zin des woords, terwijl de schrijver er in Gen.1:16-18 blijk van geeft bekend te zijn met de samenhang tussen dagen, jaren en de stand van de hemellichamen. Kline laat zien dat ook Gods doel voor beide dagen identiek is, namelijk ‘het licht scheiden van de duisternis’ (vgl.Gen.1:4-5/1:14,17-18). Aangezien God zijn eerste scheppingsdaad als “goed” typeert levert dit een probleem op voor de litteralisten: “those…must ask themselves why God felt the need to discard the arrangement established on Day 1 and replace it with an new one on Day 4” (pag.229). Kline beseft dat God in staat is licht te creëren zonder de aanwezigheid van hemellichamen (vgl. Openb.22:5), maar dit is volgens hem in strijd met Gen.2:5-6 waar God voor de instandhouding van vegetatie juist gebruik maakt van ‘reguliere’ natuurwetmatigheden (namelijk regen en/of irrigatie door de mens).
Een a-chronologische ordening van ‘de dagen’ betekent niet dat we Gen.1 niet langer kunnen lezen als bijbelse geschiedschrijving. Ridderbos bespreekt diverse historische teksten uit zowel OT als NT waaruit blijkt dat de auteur, in afwijking van de chronologische volgorde, en zonder de lezer te waarschuwen, zijn stof kunstmatig groepeert. Ook voorbeelden van buitenbijbelse parallellen waarin gebruik is gemaakt van een a-chronologisch zeven-dagen schema komen aan bod. Zo laat hij zien dat God bij de openbaring aangaande de schepping, “de voorstellingen, die bij de volken rondom Israël leefden, in dienst genomen heeft” (pag.62).

Kritiek
E.J. Young en G. Ch. Aalders hebben de belangrijkste kritiek op de kaderopvatting geleverd. In de eerste plaats wijzen zij op oneffenheden in het kader en parallellisme; de derde en zesde dag gaan niet alleen over land, maar ook over zeeën waardoor het parallellisme ‘land – landbewoners’ verbroken zou worden. Ridderbos zegt ter verdediging: “het specifieke van de derde dag is (behalve het formeren van de planten), het formeren van het droge, de aarde: de wateren waren er ook reeds op de tweede dag, en toen reeds was er een begin gemaakt, dat aan de wateren hun plaats werd toegewezen” (pag.52). Een tweede bezwaar richt zich op de verhouding tussen de kaderopvatting en het vierde gebod. Het hoofdbezwaar luidt dat in het vierde gebod de Joodse sabbatsweek naar het model van Gods scheppingsweek gevormd is, terwijl de kaderopvatting dit omdraait. Kline verwijt de litteralisten inconsequentie op dit punt: “for the Fourth Commandment to be valid on their view, we would be forced to interpret each element of God’s rest literally (the nature of the rest, the presupposed weariness that was the occasion of the rest, the length of time of the rest). But this interpretation is patently absurd” (pag.249). Een derde bezwaar richt zich op het gebruik van het woord ‘yôm’, dat uitsluitend in alledaagse zin (‘dag’ van 24 uur) opgevat zou kunnen worden. Noordtzij, Ridderbos en Kline ontkennen dit niet. Zij zijn van mening dat de jood in Gen.1-2 juist in zijn dagelijkse beleving van de dagen wordt aangesproken. De discussie ligt op een ander vlak. Kline maakt dit duidelijk met een voorbeeld uit Lukas waarin Jezus koning Herodes als ‘vos’ typeert: “Luke 13:32 employs the word fox with a literal denotation; but it is also used metaphorically. The metaphorical usage requires the litteral denotation for the comparison to work” . De discussie over de dagen in Gen.1 is niet of ze letterlijk bedoeld zijn, maar of de context er al dan niet op wijst dat ze door de auteur tevens in metaforische zin gebruikt worden. Ridderbos en Kline gaan uitgebreid op deze en andere (meer gedetailleerde) kritiek in.

Bezinning
Hoeveel ruimte is er om Gen.1 op te vatten als kadervertelling en tegelijkertijd vast te houden aan een orthodoxe visie op de Schrift? Dat hangt er vanaf wat we onder ‘orthodox’ verstaan. Wanneer we daarmee bedoelen dat deze visie moet wortelen in de vroege kerkgeschiedenis, dan heeft de kaderopvatting goede papieren. Als ‘orthodox’ betekent dat deze visie gebaseerd moet zijn op het hermeneutische principe dat zij de tekst zoveel mogelijk ‘voor zich’ laat spreken, dan scoort de kaderopvatting eveneens hoog. Ridderbos verdedigt zijn keuze met de terechte constatering dat er “puur exegetische gronden voor zijn aan te voeren, […] omdat het […] aannemelijk te maken is, dat de auteur van Genesis 1 het spreken over dagen als inkleding bedoeld heeft.” Als Ridderbos gelijk heeft v.w.b. deze bedoeling (wat door de criticasters nog niet met overtuiging is weerlegd), dan kan de kaderopvatting het historisch karakter of de helderheid van de tekst geen geweld aan. Wat wellicht wel geweld leidt is onze moderne perceptie van deze historiciteit of helderheid. Het is de kracht van de kaderopvatting dat zij juist op dit gebied een bezinning biedt. Zo wordt bijv. stilgestaan bij het specifieke karakter van bijbelse geschiedschrijving; de contextualiteit van observaties door bijbelschrijver en -lezer; het verschil in wereldbeeld tussen bijbelse tijden en nu; het bijbels gebruik van taal, vormen, gewoonten en voorstellingen uit het Oude Nabije Oosten. Dat ook de ‘argeloze’ en ‘onbevangen’ lezer (impliciet) een keuze maakt op deze terreinen is evident. Vrijwel niemand zal nog durven verdedigen dat de aarde het middelpunt van het heelal vormt, plat is, vier hoeken heeft en rust op pilaren. Wie dus eenvoudigweg poneert dat we ‘gewoon moeten lezen wat er staat’ of dat alleen aanhangers van de ‘6 x 24 uur’ opvatting tot de orthodoxe gelovigen behoren, zónder de eigen hermeneutische positie te verantwoorden , plaatst zichzelf buiten het debat. Beter is het om -met respect voor elkaars standpunt- samen te proberen lengte, breedte, hoogte en diepte van Gods scheppingsboodschap te begrijpen (Ef.3:18).

Literatuur
Douma, J. 2004. Genesis (serie: gaan in het spoor van het Oude Testament). Kampen: Kok.
Kline, M.G. 2001. In: The Genesis Debate; three views of creation (ed. Hagopian, D.G.). California: Cruxpress.
Noordtzij, A. 1936. Gods Woord en der eeuwen getuigenis; het Oude Testament in het licht der Oostersche opgravingen. Kampen: Kok.
Ouweneel, W.J. 2008. De schepping van God. Vaassen: Medema.
Paul, M.J., Brink, G, van de, Bette, J.C. (red). 2004. Bijbelcommentaar Genesis-Exodus (Studiebijbel Oude Testament 1). Veenendaal: Centrum voor Bijbelonderzoek.
Ridderbos, 1963. Beschouwingen over Genesis 1. Kampen: Kok.
Wenham, G.J. 1987. Genesis 1-15 (WBC). Nashville: Thomas Nelson Publishers.

Drs.ing. Pieter Gorissen studeert bijbelse theologie aan de Evangelische Theologische Academie en is mede-initiatiefnemer van stichting Truth or Dare, die seminars en cursussen op het gebied van geloof en wetenschap organiseert.

Please follow and like:

116 gedachten over “De kaderopvatting”

  1. Als men zich al 2000 jaar over zo’n probleem heeft geborgen, verwacht je geen totaal nieuwe inzichten in de laatste 35 jaar.
    Het enige dat ik wilde zeggen is, dat er wel degelijk een probleem is met de harmonisatie van Hand. en Gal. In ieder geval in de eerste pakweg 1940 jaren van het christendom… En het heeft volgens mij niet heel veel problemen veroorzaakt in die tijd. Misschien toch een typisch modern probleem?

  2. @Rene,

    Ik denk ook dat het een modern probleem is (vandaar ook mijn commentaar op Druijf dat hij het juist ultraletterlijk leest). Daar zijn we het verder wel over eens. Maar dan hebben ze er zich ook geen 2000 jaar over gebogen, toch?

    Ik vind 35 jaar best veel. Als je ziet hoe de samenleving verandert, hoe allerlei inzichten veranderen. Er worden nog steeds een hoop theologische boeken geschreven, en daarin wordt volgens mij niet alles nog eens herkauwd.

    Maar goed, je punt is duidelijk. Het was ook niet heel erg serieus bedoeld, maar dat klinkt natuurlijk flauw. Jij kon dat niet weten.

  3. @Arnoud,
    ik zal proberen.

    Als een woord twee betekenissen in het Nederlands kan hebben, wat moet je dan doen – als je zo dicht mogelijk bij de grondtekst wil blijven. Deze vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. Vandaar: wat is dat, dichtst bij de grondtekst.

  4. @Jona,
    Nee, niet echt. Ik snap niet waar het nu nog over gaat. Ik bedoelde alleen maar dat de SV het dichtst bij de grondtekst zit, en dan ‘woord voor woord’. Daarom was de SV ook heel modern toen ie uitkwam, want het was niet de taal die men eigenlijk sprak. Als je grondtekst wilt lezen, kun je gerust de SV nemen als uitgangspunt en dan verder kijken wat een worod betekent. Het andere uiterste is bijv. ‘Het Boek’. Dat is geen vertaling meer, maar een paraphrase.

    Verder ben ik het geheel met je eens dat de SV niet meer van deze tijd is.

    groet,

    arnoud

  5. @ schoolmeester Arnoud: ik weet best wel wat de verschillen zijn tussen een Statenvertaling en een ‘Het Boek’. Daar gaat het hier ook helemaal niet over. Misschien kunnen we het beter laten rusten, want het lijkt erop dat we elkaar niet goed begrijpen (althans jij mij niet – ik weet niet zeker of het omgekeerde ook het geval is).

  6. @Jona,

    “@ schoolmeester Arnoud: ik weet best wel wat de verschillen zijn tussen een Statenvertaling en een ‘Het Boek’.”

    Dat weet ik toch niet. Ik krijg hier ook regelmatig dingen voorgeschoteld die ik allang weet. Maar bedankt voor het compliment, ik zou graag schoolmeester zijn.

    Maar laat het verder maar rusten. Ik denk dat we het wel eens zijn, maar het was een spraakverwarring. Daar houd ik het tenminste maar op.

    groet,

    arnoud

  7. @ René, afgezien van een praktische reden heb ik even de tijd nodig gehad om na te denken over je reactie op mijn posts van het weekend. Je merkt terecht op dat er een overeenkomst is tussen de manier waarop ik met Handelingen om ga en jij met Genesis 1-3. In dit kader kan ik eerlijk gezegd ook heel goed begrijpen dat je openstaat voor een interpretatie van Genesis 1-3 op een manier die zonder buiten-Bijbelse informatie niet per se de eerste keuze was geweest. Het is nu eenmaal zo dat de schepping van onze wereld een aspect heeft dat boven ons begrip uit gaat, en de informatie hierover in de Bijbel is beperkt. Ik kan me dan ook goed voorstellen waarom je in jouw ogen onweerlegbare uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek probeert in te passen in je interpretatie van Genesis.

    Waar ik meer moeite mee heb, je zult het al wel weten, is de interpretatie zelf. Dit geldt al enige mate maar in het minst voor de meetgegevens die lijken te wijzen op een hoge ouderdom van de aarde. Ik heb moeite deze ouderdom in de tekst van de Bijbel te lezen, maar gezien de beperkte Bijbelse aanduidingen en definitie van tijd kan ik dit eventueel nog accepteren.

    Als het gaat om de schepping van het leven zie ik enorm veel problemen ontstaan, zowel in theologie als interpretatie. Dit geldt niet alleen voor Genesis 1-3, maar ook voor talrijke andere teksten in de Bijbel. Wat mij betreft ontstaan hier wel diverse onoverkomelijkheden.

    Mijn vertrouwen in wetenschappelijk onderzoek naar het verleden legt het vervolgens af tegen mijn vertrouwen in de waarheid van de Bijbel.

    Overigens, dit ook aan Arnoud en Jona: de vertaling “vele dagen” in Hd 9:23 heb ik teruggevonden in de 4 vertalingen die volgens mij ‘concordant’ zijn, zoals dat zo mooi heet (Statenvertaling, Herziene Statenvertaling, Telosvertaling, King James). Dit geeft aan dat classici behoorlijk eensluidend kiezen voor de lezing ‘vele dagen’. Voor dit soort keuzes bestaan algemeen aanvaarde principes.

  8. Pieter, dank voor je afgewogen reactie. Ik snap je moeite met de theologie van een ‘evolutionaire schepping’. Ik ben daar zelf zeker nog niet uit. Aan de andere kant, ik loop na 22 jaar ook steeds vaker tegen de grenzen van de ‘evangelische theologie’ aan. Het probleem is, dat de vragen die dit oproept allemaal redelijk bekend zijn, en besproken worden. De vragen rond evolutionaire schepping (zeker in een orthodoxe theologische setting) zijn veel minder uitgewerkt. Een deel van het probleem is daarom m.i. de simpele constatering ‘onbekend maakt onbemind’.

  9. @Rene,Pieter,Jona,

    Ik moet over mijn laatste comments wat recht zetten.

    Ik beschuldigde Rene en Jona van het gebruiken van het verkeerde vers (23) in Handelingen 9. Maar daar ging het toch wel over in Pieters verhaal.

    Mijn eigen standpunt was, dat de drie jaar in vers 26 zat. Dat denk ik eigenlijk nog steeds, maar ik deed geen recht aan waar het over ging.

    Dus: ik heb niet goed opgelet: te closed minded w.s.

  10. “Hier ga je wel heel kort door de bocht. Als Paulus er 3 jaar niet geweest is en er voor het laatst bekend was als vervolger, wat is er dan vreemd aan dat de discipelen (en de apostelen eerst ook?) bang voor hem waren? Je had in die tijd geen nu.nl o.i.d. Vergeet niet dat hij eerst de grootste doodsbedreiging voor de gemeente was. Het helpt om je in te leven in de situatie van toen.”

    En dat doe ik dan ook. Als je het handelingen verhaal leest zie je dat Paulus ongeveer de motor achter de christenvervolging was. Lucas weet ook de vertellen dat de gemeenten na de bekering van Paulus een tijd van rust en vrede kwam. Het ligt dan ook erg voor de hand om de reden daarvoor als Paulus bekering’ te zien.

    Als hij zich tot het christendom zou bekeren zou dat nieuwtje toch echt wel in drie jaar tijd bekend zijn geworden in Jeruzalem. Dat is gewoon een heel voor de hand liggend idee. Een vergelijking met nu.nl is dan erg goedkoop. Zover ligt Damascus nu ook weer niet van Jeruzalem.

    De meest voor de hand liggende lezing is gewoon te accepteren dat er een tegenstrijdigheid in handelingen en Paulus is, zoals er wel veel meer tegenstrijdigheden en historische onjuistheden in de bijbel staan. Ik heb eigenlijk geen zin om daar met iemand die daar om principiële redenen niet open voor staat mee te discussiëren, want ik heb mijn tijd beter te besteden. Nogmaals, ik weet dat christenen zijn allerlei gezochte alternatieve verklaringen bedenken om onjuistheden glad te strijden, maar op een gegeven moment werd het voor mij gewoon te gezocht.

    Ik wil zeker niet banaal over je geloof doen, maar ik ben er van overtuigd dat een onfeilbare bijbel niet nodig is om christen zijn en het je een hoop overbodige rompslomp scheelt als christenen wat realistischer met de bijbel omspringen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.